Blog

Het luie zweet eruit

We trekken verder naar Nationaal Park Chapada Diamantina wat beslist het hoogtepunt wordt van deze reis. Het park is gigantisch, groter dan veel Europese landen en omringd door bergen, vind je er watervallen, grotten, ondergrondse meren en heel veel wandelpaden. Het is onmogelijk om alles te zien. We kiezen voor een driedaagse wandeling door de afgelegen Vale do Pati  samen met Filipe, de gids die ons naar iconische uitzichtpunten zal brengen. En, heel erg fijn, naast geweldige  lunches maakt hij onderweg ook heel goede koffie. Hij houdt ons letterlijk op de been, want de tocht is fantastisch maar ook zwaar en hier en daar behoorlijk uitdagend.
Vanaf de 19e eeuw legden kolonisten en lokale boeren koffieplantages aan in de vallei en omdat de grond en omstandigheden er zo gunstig waren ontstond er een bloeiende koffiecultuur. Dat duurde tot de eerste helft van de 20 eeuw. De intensieve koffieteelt putte de bodem uit en er kwam steeds meer concurrentie uit de regio’s Sao Paulo en Minas Gerais, die een veel betere infrastructuur hadden. Vale do Pati ligt heel erg afgelegen, heeft geen wegen alleen muilezelpaden, waardoor het transport heel lastig en duur werd. De meeste bewoners zijn toen vertrokken.
Ongeveer 10 families zijn in de vallei achtergebleven. Zij ontvangen nu wandelaars in hun bescheiden maar knusse huizen en bieden een bed, een koude douche en koken heerlijke maaltijden. Alles wordt er aangedreven met zonne- energie, het water wordt gefilterd uit natuurlijke bronnen, en werkelijk alles moet nog steeds met muilezels  hier naartoe worden gebracht. Er is geen internet. Dit is wat je noemt gastvrij en duurzaam ecotoerisme en het biedt ons tevens een digitale detox.
We laten onze Toyota achter op een camping in Lencois en worden naar het dorp Guiné gebracht wat een goede toegang heeft tot het park. Daar begint de eerste wandeldag direct met de beklimming van een steile berg, die me de adem beneemt. Zwaar hijgend kom ik boven waar we aan de ene kant terugkijken op droge caätinga en aan de andere kant verrast worden met een rotsachtige hoogvlakte vol bloeiende struiken, cactussen, grassen en bloemen. In de verte lokken aan de horizon, Morro do Castelo ( kasteelberg), Morro Branco (de witte berg) en Morro Sobradhino ( wat zoiets als “ons huisje” betekent), allemaal gigantische bergmassieven. Ik kom weer op adem en zet bijna zingend van zoveel schoonheid de pas erin.
Zo’n 2,5 uur later, stijgend en dalend en stap springend over rotsen om een rivier over te steken, bereiken we het eerste iconische uitzichtpunt, Mirante do Pati. Het is echt adembenemend mooi. Voor ons strekt een diepe groene vallei zich uit met drie tafelbergen waartussen in de diepte kronkelige muilezelpaden zichtbaar zijn. Het is een perfecte stop voor de lunch met verse salade, fruit, brood, kaas, tonijn uit blik, zoetigheid en koffie, heerlijk!
Tussen ons en de kasteelberg, onze “ bestemming”, ligt nog een diepe vallei, groen van varens en regenwoud, en na nog twee uur dalen en weer klimmen zien we vanuit weer zo’n prachtig uitzichtpunt dat we ons doel langzaam naderen. De hele tocht lopen we als in een natuurfilm met uitzicht op de drie reuzen die  we steeds weer vanuit een andere hoek zien. Dan volgt nog een lange pittige afdaling en is ons gasthuis in zicht. Ik kan geen boe of bah meer zeggen, maar na een verfrissende douche en met een koud biertje kijken we voldaan terug op onze eerste dag in de vallei. De avondmaaltijd is geweldig en niet veel later slapen we als een roos.
De volgende dag kom ik de 10 treden omhoog naar de douches nauwelijks op en af, zo stijf ben ik. Het is een heerlijk moment van de dag als we      ‘sochtends zittend op een houten plank in de tuin naar de vogels te luisteren, met zicht op de kasteelberg voor ons. Het belooft een zware dag te worden, we gaan deze gigant beklimmen die af en toe achter een dichte mist tevoorschijn komt. We ontbijten aan lange tafels, en ik ben steeds weer verrast door wat de bewoners uit hun keuken tevoorschijn toveren. Stevig brood, cakes, fruit, roerei, vers vruchtensap en koffie, wij kunnen er weer tegenaan.
Het is gaan regenen, we wachten tot het ergste voorbij is en starten om een uur of 9.  Het wordt een fysieke uitdaging, we klimmen nog net niet in een rechte lijn 1300 meter omhoog, klauterend over grote en kleine rotsblokken, glibberend in de prut, ons vasthoudend aan bomen om onszelf omhoog te trekken. Ik vraag me niet eens meer af of ik niet per ongeluk in iets kruiperigs of glibberigs grijp, we klimmen immers in een regenwoud, en ben gewoon blij met ieder beetje houvast. In het gebied wonen poema’s en jaguars, reuzen miereneters, brul- en kapucijner aapjes  maar die laten zich niet zien. Wel zien en horen we veel bijzondere vogels, komen een rups tegen die volgens Filipe haren heeft die kunnen doden, en een soort grote rat die zich uit de voeten maakt zodra hij ons ziet.
De mist blijft nog een poos hangen maar als het uitzicht op de witte berg en “ons huisje” tevoorschijn komt, kun je goed zien dat waar ooit koffieplantages waren nu enorme vlaktes vol varens groeien, de rest is regenwoud. We laten de rugzakken achter bij een grot hoog op de berg die eerst een opening bood naar de andere kant van de berg maar sinds een jaar is ingestort. Na weer een uitdagend klimmetje besluit ik terug te keren naar de grot, mijn knieën beginnen te protesteren. Peter klimt dapper nog een stuk door naar de top en heeft van daar een mistig maar magisch uitzicht. Het is tijd voor de lunch waarna we weer met nieuwe energie aan de afdaling kunnen beginnen. Ik zal eerlijk toegeven dat ik opgelucht ben als ik met knikkende knieën de tuin van ons gasthuis binnenstrompel en ik zeker een half uur alleen maar glazig met een biertje voor me uit kan kijken. Zelfs het trapje naar de douche is een uitdaging die ik liefst nog even uitstel. We zijn allebei te moe om veel te zeggen, maar als er iets uit ons komt is het zoiets als, “wat is het hier toch mooi hè”.

De laatste wandeldag wordt vooral een hele lange dag  en volgt de muilezelpaden om de bergen heen door de vallei, dus heel veel klimmen hoeven we gelukkig niet. Het wordt de kers op de taart belooft Filipe. Hij houdt de hele dag een stevig tempo aan en wij gaan er in gestrekte draf achter aan. Het uitzicht is duizelingwekkend mooi. Liggend op onze buik op een klif boven een gigantische kloof, turen we 300 meter de diepte in. In de regentijd klettert hier een enorme waterval, verdeeld in vele kleinere, langs de rotswanden naar beneden, maar zelfs nu die zo goed als opgedroogd is, blijft het uitzicht beslist indrukwekkend. Vervolgens lopen we nog naar een punt waar wie wil op een soort duikplank van steen kan gaan zitten of liggen boven die afgrijselijke afgrond. Ik snap niet wat ons bezielt maar we doen allebei een poging. Enfin, we zijn er nog en hebben de tocht  door de vallei heelhuids volbracht, weliswaar met hevig protesterende knieën bij de laatste steile afdaling terug naar Guiné. De volgende twee dagen in Lencois hebben we nodig om uit te rusten en dat lukt prima in dit gezellige koloniale stadje met goede restaurants. Op de weg zuidwaarts, passeren we nog een azuurblauw ondergronds meer in een  grot waar we heerlijk in ronddobberen. Chapada Diamantina is één groot wandelavontuur geweest vol natuurwonderen. Helaas wordt het nu echt tijd om aan de terugtocht naar São Paulo te beginnen.

TRANSLATE