Blog

Bounty-gevoel

Iedereen heeft wel gehoord van de Amazone, en maakt zich daar waarschijnlijk zorgen over, maar Brazilië heeft ook een ongerept regenwoud langs de zuid-oostelijke Atlantische kust, de Mata Grande. Het oerwoud groeit op de steile rotswanden van een bergketen dat parallel loopt aan de kustlijn tussen pak hem beet Sao Paulo en Rio de Janeiro. Die  idyllische ligging was precies de pech van dit regenwoud, want toen de Europeanen in de 16e eeuw hier aan land gingen, moest een groot deel van dit prachtige oerbos plaatsmaken voor koffieplantages en suikerrietvelden. Dit en de bouw van wereldsteden als Sao Paulo en Rio de Janeiro zorgden er voor dat van de ruim anderhalf miljoen hectares nu nog zo’n 12  procent over is, wat voor Europese begrippen nog steeds een gigantisch oerbos is.

De weg naar de kust en het eiland Ilha Grande loopt dwars door een deel van dit “restje” bos, nu Nationaal park da Serra da Bocaina. Het is een steil slingerende weg door deze immer groene klamme jungle die vanaf het binnenlands plateau op zo’n 700 meter hoogte daalt tot op zeeniveau.

We rijden door tot aan Angra dos Reis, waar veerboten vertrekken naar de gelijknamige eilandengroep waar Ilha Grande deel van uitmaakt. In de haven is het een gezellige chaos, vissersboten  lossen hun vangst en witte reigers wachten geduldig op een verloren vis, spartelend op de kade. Er liggen netten te drogen, passagiers en kruiers lopen af en aan en verkopers met iets lekkers voor de bijna twee uur durende bootreis doen goeie zaken.

Monica en ik gaan alvast aan boord met de bagage terwijl Daniel en Peter de auto’s parkeren op een afgelegen bewaakt parkeerterrein. Het wordt steeds drukker, de inwoners van Ilha Grande hebben boodschappen gedaan op het vaste land en dozen vol “droge” levensmiddelen, wc papier, groenten en fruit worden gestouwd op ieder plekje dat nog vrij is. Wij zijn met een stel Japanners de enige toeristen aan boord. Iedereen aan boord kent elkaar, wisselt nieuwtjes uit of doet een dutje.

Ilha Grande bleef lange tijd van de toeristen-radar en nog steeds is het grootste deel van het eiland oorspronkelijk regenwoud, met vele kilometers aan wandelpaden die je van het ene gehucht en afgelegen baai naar de andere brengen. Er zijn geen auto’s op het eiland. De reden voor het langdurige isolement heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat het vroeger een piratenbolwerk was, daarna verbleef er een leprakolonie en tenslotte was het een gevangenis voor politieke gevangenen. Die gevangenis was niet echt “waterdicht” en sloot in 1994 voorgoed zijn deur en sindsdien is er ruimte voor kleinschalig eco-toerisme, want het eiland heeft net als de rest van het Atlantisch regenwoud door de Unesco de status “werelderfgoed” gekregen.

De houten veerboot gaat zo traag dat we alle tijd hebben om te genieten van de eilandengroep die door de laaghangende bewolking in een waas aan ons voorbij trekt en pas laat haar contouren laat zien. Soms zijn het slechts een paar palmbomen op een verlaten eiland. Als we Ilha Grande naderen, zien we kale rotsen, met balancerend daarop gigantische keien, gesleten door erosie, en daarboven het regenwoud dat tot bijna in zee groeit. We arriveren in een besloten zanderige baai, met een vloot kleurrijke  houten vissersboten, een aanlegsteiger en een gehuchtje met lage huisjes dat we via een smal pad kunnen bereiken.

De kapitein vertelt ons dat een paar jaar geleden  na een aanhoudende regenbui, een enorme aardverschuiving een baai van de kaart heeft gewist. Aardverschuivingen zijn hier niet ongewoon, wat zichtbaar is in lage groene plekken in het regenwoud waar varens groeien. Het duurt zeker 200 jaar voor het regenwoud zijn plek weer opeist en de varens volledig verdringt. Het Atlantisch regenwoud is bekend om zijn 30 meter hoge bomen, met bromelia’s en orchideeën. Er leven krokodillen in de mangrove bij een enkele baai maar afgezien van schuwe giftig groene cobra’s en een enkele aap die een dramatische gele koortsaanval op de apenkolonie overleefde, kun je hier urenlang over de eeuwenoude paden door het woud wandelen zonder iemand tegen te komen.

Bij aankomst worden we opgewacht door onze gastvrouw, een dametje van een jaar of 70 van wie we een etage boven haar huisje hebben gehuurd. Zij reikt bij Daniel niet verder dan zijn navel maar is een kranig type. De hele kade staat vol met bewoners die helpen met sjouwen van de boodschappen.

Het gehuchtje waar wij logeren heeft 2000 inwoners, het heeft een grote kerk, een begraafplaats, een kliniek, een school, een winkel met speelgoed en huishoudelijke dingen, een bakker, een ienieminie buurtsuper en een winkel met verse groenten die tweemaal per week worden bevoorraad. Aan het eind van de baai is een kleine bar met weinig klandizie, en als je dan nog even verder klautert kom je bij een schuur waar vissers hun vangst brengen en verkopen. En daarmee heb je het wel gehad. De meeste huizen worden opgelapt of verbouwd en aan een tuintje heeft niemand behoefte. Het is nogal een zooi, maar wel een gezellige zooi. Men sleept zijn comfortabele stoelen op straat, de meeste mensen hebben een kleurig zangvogeltje in een kooitje, en de hele straat wordt versierd met groen-gele slingers, in afwachting van de komende voetbalwedstrijden.

’S Ochtends pikt een schoolboot kinderen van verschillende baaien op om ze hier af te leveren. Iedere baai heeft zijn eigen voetbalteam en er is een eilandcompetitie. Op een afgelegen plek als deze is iedereen afhankelijk van elkaar en dat maakt de gemeenschap hecht. De stuurman van de veerboot helpt een visser bij het repareren van zijn net, er wordt een houten boot gebouwd onder een zeil,  het “roddelbankje” onder de cashewbomen op het strand is meestal wel bezet met oude mannen of vrouwen, en kinderen spelen op het strand.

We maken lange wandelingen door de jungle naar andere baaien en laten ons met een taxiboot terugbrengen. De hoge luchtvochtigheid, het regent regelmatig, zorgt niet alleen voor deze weelderige begroeiing maar brengt ons vanzelf naar een meer relaxed tempo. We zien de vissers vissen, horen de golven kabbelen, zien de zon zakken, kortom het leven is hier goed.

TRANSLATE