Blog

Ticket to heaven

In Cochabamba bezoeken we het Theresaklooster uit de 18e eeuw waar in de koloniale tijd  alleen meisjes uit de rijkste families van de stad en omgeving, non konden worden. Heden ten dage  hanteert een Carmelieten-orde zorgvuldige toelatingscriteria, waar je na het doorlopen van verschillende novieten-fases pas na 10 jaar volledig kunt intreden.

Dat was in de 18e eeuw toch een heel ander verhaal. Zelfs rijke families moesten toch een beetje op de bolivianos passen en het fortuin mocht absoluut niet versnipperd raken. De oudste zoon erfde bijna alles. Voor één maximaal twee dochters zocht de familie een strategisch huwelijk met een andere rijke partij, maar de overige dochters werden toch gezien als een financieel risico. Het klooster bood een oplossing. Om een bruid van Jesus te worden werd de familie om een forse bruidsschat in goud of zilver gevraagd, het klooster moest immers worden onderhouden, maar desondanks was het onder de streep toch goedkoper. En bovendien een dochter in het klooster was een ultiem statussymbool en bezorgde de rest van de familie alvast vrijkaartjes voor de hemel. Men geloofde toen dat iedereen na de dood een poos moest branden in het vagevuur om te boeten voor aardse zonden. Maar met de dagelijkse gebeden van een vrome non in de familie veranderde dat scenario aanzienlijk en kon de periode in het vagevuur worden gewist of drastisch worden ingekort.  De rijke families verdienden hun geld vaak met uitbuiting van inheemse arbeiders in de mijnen of op plantages. Met het offer van het meisje, dat de rest van haar leven in een koude kloostercel sleet, werd het schuldgevoel afgekocht en zo de prijs betaald voor de zielenrust van haar hele familie.
Om tot de zeer gesloten kloosterorde toe te kunnen treden werd er eerst een selectie op bloedzuiverheid gedaan. De familie moest kunnen bewijzen dat het meisje  van “zuiver” Spaans bloed was. Meisjes met inheems bloed in hun stamboom werden resoluut geweigerd, maar konden wel als onbetaalde bediende of slaaf mee naar binnen om de adelijke nonnen te verzorgen. Zodra een meisje was uitgekozen,  ze waren vaak pas tussen de 15 en 20 jaar oud, werd de intreding gevierd met “ de bruiloft met Christus”, compleet met een prachtige bruidsjurk. Maar na de mis, nam het bruidje afscheid van haar familie, liep door de klooster poort en viel de zware houten deur in het slot. Vanaf dat moment droeg ze een zwart doodskleed, werd er symbolisch een lijkwade over haar heen gelegd en luidde de kerkklokken alsof ze gestorven was. Voor haar familie en de buitenwereld bestond ze vanaf die dag niet meer. Het Novicaat duurde slechts 1 jaar. Als het meisje de strenge kloosterregels, de honger tijdens het vasten en de kou fysiek kon volhouden, werd ze klaar geacht voor de rest van haar leven. Daarna legde het meisje haar eeuwige geloften af, ontving ze haar zwarte sluier en was er geen weg meer terug. Ontsnappen of spijt hebben was een doodzonde en sociaal onacceptabel voor de familie.
De nonnen leefden volgens een strikt schema dat grotendeels in het teken stond van zingen en bidden. De dag begon al vroeg in de nacht voor de eerste gebeden. De rest van de dag, verliep grotendeels in absolute stilte. Ik geloof dat ze een uurtje per dag met elkaar mochten praten. Tijdens het eten was het streng verboden om te spreken, of elkaar aan te kijken, wat wel lastig is als je om het zout of water wilt vragen. Om te voorkomen dat de nonnen zouden genieten van het eten, werd er vanaf de kansel door één non met luide stem voorgelezen uit de bijbel. Met de geest gefocust op heilige teksten, werd eten slechts een kwestie van kauwen en slikken.
Een regel overtreden, zoals klagen, spreken, trots gedrag of te laat komen voor het gebed, had  stevige gevolgen. Voor straf moest je dan midden in de eetzaal op je knietjes eten met je bord op de stenen vloer. En alles moest altijd schoon op, geen kruimel mocht worden verspild.
Wij maken met een gids een ronde door het klooster complex in Europese barokke stijl,  maar gebouwd met lokale Boliviaanse materialen zoals adobe, steen en hout. De kerk in het klooster, die we alleen vanaf een bovenverdieping door een houten rooster kunnen bekijken, heeft een prachtige koepel, een klokkentoren. en een indrukwekkend altaar in bladgoud. We klimmen helemaal naar het dak van waaruit we een prachtig uitzicht hebben op de koepel, het golvende pannendak en op de moderne hoogbouw van Cochabamba die het klooster omhuld. Het klooster heeft inmiddels een nieuwe vleugel waar nu nog  7 of 8 stokoude nonnen leven.
De kloostergangen zijn gebouwd rondom een binnenplein met stenen bogen. De witte muren zijn metersdik om de hitte in de zomer en de kou in de winter buiten te houden. Hoewel de cellen van de nonnen heel sober zijn met een knetterhard houten bed, daarboven een kruisbeeld, een waskom en wat religieuze attributen, puilt de kerk uit van de rijkdom met veel bladgoud en wanden vol waardevolle koloniale schilderijen. We bezoeken de bibliotheek met oude geschriften, een kapel met prachtig oorspronkelijk bloemen behang op de muren. Natuurlijk zijn er beelden van de heilige Carmelita, die ieder jaar een rondje door de klooster gangen wordt gedragen, en andere heiligenbeelden  en schilderijen over het leven van Christus.
De nonnen leefden geheel zelfvoorzienend. Waar nu nog slechts fruitbomen staan op de binnenplaats, was vroeger een moestuin. Het zware werk in de tuin en het huishouden werd gedaan door de bedienden die de meisjes van adel hadden meegenomen. Die arme meiden zaten onvrijwillig ook hun hele leven opgesloten achter de kloosterpoort en zagen hun familie nooit meer terug. De adellijke nonnen hielden zich naast het vele bidden, meditatie en bijbelstudie bezig met lichtere taken zoals het verzorgen van de bloemen waarmee ze het altaar versierden en de medicinale kruiden. We zien  in de medicijnkast allerlei flesjes met brouwsels, vijzels en  andere benodigdheden voor het maken van natuurlijke geneesmiddelen. In de ondergrondse kelder was de kaarsenmakerij en voelen we hoe zwaar de metalen tangen zijn waarmee hosties werden gemaakt. Met de kaarsen, de hosties en het bakken van zoet gebak en koekjes kon het klooster extra geld verdienen. Ook  brouwden de nonnen zelf sterke drank, een soort brandewijn, die ze gebruikten voor het maken van hoestdranken en vermengd met suiker stroop en lokaal fruit voor zoete likeuren. Afgezien van een mild likeurtje bij de zondagse maaltijd of als versterkertje na het vasten, was de drank bedoeld voor de verkoop en een belangrijke bron voor inkomsten.
Omdat de nonnen in strikte afzondering leefden, mocht er nooit fysiek of visueel kontakt zijn met de inwoners van Cochabamba. De verkoop van sterke drank en baksels ging via een ingenieus cilindervormig draailuik. De klant riep door de muur wat hij wilde hebben, legde het geld in het luik en aan de andere kant werd door de onzichtbare non het geld gepakt, werd de bestelling neergezet en draaide het luik weer naar buiten. Kloosternonnen staan in Zuid Amerika nog steeds bekend als de beste banketbakkers.
Eenmaal per maand kregen de nonnen bezoek van familie, maar ook dat was strikt geregeld met een houten raster en een zwart gordijn ertussen. Zo kon de familie het meisje wel horen maar niet zien of aanraken. Nog steeds hebben de bejaarde nonnen geen direct contact met de buitenwereld. Hoewel toetreding nu een vrijwillige keuze is en de regels ongetwijfeld iets zijn versoepeld, lukt het niet om aspirant nonnen te werven en zal deze kloosterorde mettertijd verdwijnen.
Het klooster is van 2012 to 2018 Ingrijpend gerenoveerd en daarbij werden nieuwe ontdekkingen gedaan. Bij het openstellen van geheime ruimtes  zijn er zwepen en doornen banden gevonden die de nonnen gebruikten voor zelfkastijding. Zij geloofden namelijk sterk in het onderdrukken van vleselijke zonden om dichter bij God te komen. Er wordt wel beweerd dat je ‘s nachts in sommige gangen nog altijd het zachte gefluister kunt horen van biddende stemmen die vergeving vragen voor hun zonden.
TRANSLATE