Skoura
- On 28 jan, 2026
- By Michelle

We zijn op de weg terug van de Dadesvallei bij Boulmalne in het oosten en rijden in de richting van Marrakesh in het westen. Na een droog ruig woestijnlandschap met in de verte geitenkuddes als zwarte stipjes in een onmetelijke stenige leegte, verschijnen er steeds meer dadelpalmen en naderen we de uitgestrekte rivieroase van Skoura. We arriveren aan het einde van de middag, als het licht zachter wordt en de zon lange schaduwen maakt.
Skoura is een rivieroase aan de voet van de Hoge Atlas. Het ligt langs de route van de 1000 kasba’s, de oude handelsroute van de Sahara naar Europa. Karavanen van honderden kamelen, bepakt en bezakt met goud en ander kostbaarheden kwamen vanuit Zuid Afrika langs deze route en vonden onderweg onderdak in de kasba’s. Stel je bij zo’n grote Trans Sahara karavaan geen exotische optocht voor maar een strak georganiseerde langzaam voorthobbelende mini- samenleving, met een karavaanleider, handelaren, kameeldrijvers, bewakers, soms gidsen, tolken en bedienden (slaven). De kasba’s waren niet alleen rustpunten op de route, maar ook opslagplaatsen en tol- en beschermingsposten.

Als je denkt aan een oase, dan zie je toch direct een verdwaalde palmboom staan zinderend in de hitte van een oneindige zandvlakte met daaronder een plasje water? En bij het naderen van zo’n oase hoop je toch dat het geen fata morgana is. Wel, zo’n oase is het dus niet, want deze palmentuin is zeker 25 vierkante kilometer groot. Met de besneeuwde toppen van de Hoge Atlas op de achtergrond is het contrast met de exotische palmen sprookjesachtig, beslist geen luchtspiegeling wel een beetje onwerkelijk. In deze uitgestrekte palmeraie met daartussen kleine akkers en her en der in het groen verspreid heel veel indrukwekkende woestijnkastelen kun je op de fiets of lopend urenlang ronddwalen.
En al die dadelpalmen en met de hand bewerkte akkertjes ertussen hebben water nodig. Het smeltwater vanuit de Hoge Atlas vormt hier rivieren die afhankelijk van het seizoen meer of minder water bevatten. Het water wordt via een ingenieus systeem van ondergrondse lemen kanalen, khettara’s, naar de velden vervoerd. Water brengt leven, het is soms schaars, niet altijd voorradig en dus iets om zorgvuldig mee om te gaan. Met behulp van waterklokken en dammetjes krijgen de velden op afspraak beurtelings toegang tot het water. Als je beseft dat dit systeem al 2500 jaar oud is en nu , naast moderne pompen en putten, voor een deel nog wordt gebruikt, is dat beslist indrukwekkend.



Wij parkeren de Kar bij Kasba Amridil, de grootste kasba van Marokko, afgebeeld op het oude briefje van 50 dirham en een filmlokatie die tot de verbeelding spreekt. Een kasbah is gemaakt van aangestampt leem, regenwater wordt via overhangende rietstengels in het dak wel zoveel mogelijk weggeleid, maar na heel veel regen lost het kasteel als het ware op en zakt het langzaam maar zeker als een kleipudding in elkaar. Ieder jaar moeten de daken en soms de muren weer opnieuw worden aansmeert met een mengsel van leem, stenen en stro. Dat is zeker bij de enorme woonkastelen van twee of drie verdiepingen, een kostbare klus. Veel kasba’s zijn door particulieren gekocht, gerestaureerd en omgetoverd tot een sfeervolle riad. Anderen zijn aan hun lot overgelaten, zijn in verschillende stadia van verval en steken met een afbrokkelende toren boven de dadelpalmen uit. De mix van ruïnes en gerestaureerde schoonheden geeft de palmen-oase een heel bijzondere sfeer. Ik heb nu al spijt dat we er niet langer zijn gebleven.
Kasbah Amridil dateert uit de 17 e eeuw. Wat nu een kasba is begon als een ksar, een verstevigde stad. In die ksar werd eind van de 19 e eeuw een woonpaleis gebouwd voor de familie Nasiri. Nazaten van deze familie hebben het kasteel nog altijd in bezit en wonen in een deel ervan. Andere gedeelten zijn opengesteld als museum, en ingericht met historische objecten. Van de ksar resteert nog vooral een ruïne en alleen de kasba is goed bewaard gebleven. We dwalen er eindeloos in rond, sloffend door het stro, raken er regelmatig de weg kwijt en ik geniet heel erg van de minimalistische sfeervolle manier waarop de ruimtes zijn ingericht.







We wandelen daarna nog door de palmentuin en zien dat er tussen de dadelpalmen ook amandelbomen, olijfbomen, vijgen- en granaatappelbomen groeien. Op de veldjes worden in de winter veel tuinbonen geteeld, ze profiteren van de schaduw van de fruitbomen, vragen relatief weinig water, binden stikstof uit de lucht via hun wortels en maken de bodem vruchtbaarder. Bovendien zijn ze voedzaam en de plantenresten zijn geschikt als veevoer of compost. Niets gaat hier verloren.

